Historie


In het verre verleden werd het ziekenvervoer uitgevoerd met primitieve middelen. Veel gasthuizen (ziekenhuizen) hadden draagmanden of houten brancards waarmee de zieken werden opgehaald. Ook werden schepen ingezet, zoals de speciale pestschuit in het 17e-eeuwse Amsterdam. In de 19e eeuw werd voor het eerst een radarbrancard gebruikt, een brancard die met een veersysteem tussen twee grote wielen hing. Uit die tijd stammen ook de eerste rijtuigen en de rijwielbrancards die voor ziekenvervoer werden gebruikt.
 
In 1907 kwamen de eerste twee ziekenautomobielen op de weg. Er volgenden er snel meer. Deze auto’s waren in handen van garages of taxibedrijven, die meestal een telefoon hadden. De huisarts, die in die tijd niet alleen thuis en binnen de praktijk maar ook op straat hulp verleende, zette de ziekenauto’s in. In de jaren twintig kwamen de Gemeentelijke Geneeskundige en/of Gezondheids-diensten (GGD) in beeld. Die bemanden de ziekenauto met een verpleger en stuurden soms gemeentelijke artsen om eerste hulp te verlenen bij ongevallen op straat. De uitrusting van de ambulance was nog wel erg eenvoudig: een EHBO-trommel, een brancard, wat spalken en soms een zuurstofapparaat.

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal verkeersongelukken toe. Her en der kwamen er nieuwe ambulancediensten, vaak na een ongeluk waarbij de patiënt heel lang had moeten wachten. Iedere gemeente had een eigen spoednummer. En ook het contact tussen meldkamer en ambulance was verre van gemakkelijk. Pas halverwege de jaren zestig kregen de ambulances mobilofoons.
 

Het begin van de moderne ambulancezorg

Bij de treinramp van Harmelen (1962) werd pijnlijk duidelijk dat het ambulancevervoer niet goed georganiseerd was. De alarmering was rommelig en de brancards pasten niet in verschillende ambulances. Daarop kwam in 1971 de Wet Ambulancevervoer, waardoor de oprichting van 40 Centrale Posten Ambulancevervoer (CPA) die de zorg moesten coördineren een feit was. CPA’s werden verbonden aan een GGD of gekoppeld aan de meldkamer van de brandweer.
 
Verder betekende de Wet Ambulancevervoer dat de provincies bepaalden hoeveel ambulances er waar moesten staan, zodat er bij spoedgevallen binnen 15 minuten hulp kon zijn. Ook werden er eisen gesteld aan materieel en personeel. Er kwamen (gespecialiseerde) verpleegkundigen op de auto en eind jaren tachtig ontstond er een ambulanceopleiding. Ambulancechauffeur en -verpleegkundige gingen volgens protocollen werken (1992). Daarmee ontstond eenduidigheid in de zorg. Een patiënt met een gebroken been wordt tot op de dag van vandaag in Groningen op dezelfde manier behandeld als in Maastricht. Ook de uitrusting van de ambulance breidde fors uit met onder meer hart- en beademingsapparatuur. Verder werden er landelijke afspraken gemaakt over de kleding, zodat ambulancezorgverleners altijd en overal herkenbaar zijn.

Het aantal ambulances en ambulancediensten is in de loop van de jaren afgenomen
 
 
Begin jaren negentig formuleerde de sector het streven naar grotere organisaties: Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s). RAV’s bestaan uit één (of meer) ambulancediensten en een Meldkamer Ambulancezorg (MKA), de vroegere CPA. Doordat steeds meer mensen telefoon kregen ontstond de behoefte aan een landelijke regeling voor alarmering. In 1986 ging 06-11 van start. Sinds 1997 bestaat, mede onder invloed van Europese regelgeving, 112.
 
In het verlengde daarvan professionaliseerden de meldkamers en de daar werkzame centralisten zich verder.