Ambulancezorgverlening in 2016

Ambulancezorgverlening in 2016 valt uiteen in een tweetal onderwerpen. In de eerste plaats biedt het inzicht in het aantal ambulance-inzetten in 2016, vanuit verschillende benaderingswijzen. In de tweede plaats geeft het weer hoe snel de ambulance in 2016 ter plaatse was. 

Binnenkort wordt hier ook aandacht besteed aan de inhoud van de ambulancezorg.

Het achterliggende cijfermateriaal kan teruggevonden worden in het tabellenboek 2016.

Hoe vaak wordt de ambulance ingezet?

  • Totaal aantal ambulance-inzetten in 2016

    In 2016 hebben in Nederland 1.313.251 ambulance-inzetten plaatsgevonden.

    1.313.251
  • Ontwikkeling volume ambulancezorg 2012-2016 (x 1.000)
  • Het aantal ambulance-inzetten neemt al jaren toe. Vooral sinds 2012 is de stijging opvallend. Tot die tijd bedroeg de stijging ongeveer 3% per jaar, sinds 2012 is er sprake van een toename van gemiddeld 5%.

    De toename van het aantal ambulance-inzetten heeft te maken met onder andere:

    ● veranderingen in het zorglandschap

    ● maatschappelijke ontwikkelingen

    ● innovatie van het proces ambulancezorg

    De mate van de groei verschilt per regio, ook hebben de verschillende regio’s met verschillende oorzaken van de toename van het aantal inzetten te maken.

  • Spoedeisende en planbare ambulancezorg in 2016
  • Nederland maakt een onderscheid tussen spoedeisende en planbare ambulancezorg. Het gaat hier om het deel van de inzet waarbij de ambulance naar de patiënt toe gaat.

    Spoedeisende ambulancezorg moet zo spoedig mogelijk ter plaatse zijn. Dit kan ieder moment van de dag nodig zijn. De intentie is zorg verlenen en indien noodzakelijk de patiënt vervoeren, dit is afhankelijk van de situatie ter plaatse. De centralist van de meldkamer ambulancezorg bepaalt de riturgentie, A1 of A2. In 2016 was 74% van de ambulance-inzetten spoedeisend.

    Planbare ambulancezorg is zorg en vervoer van patiënten tussen het woon- of verblijfadres en zorginstellingen voor diagnostiek, therapie of opname en vice versa. Planbare ambulancezorg vindt over het algemeen plaats op basis van afspraken met de patiënt over het tijdstip van halen en brengen en de plaats van bestemming. 26% van de ambulance-inzetten in 2016 was planbaar.

  • Is de patiënt vervoerd door de ambulance?
  • Een ander onderscheid heeft betrekking op de vraag of de patiënt al dan niet is vervoerd door de ambulance, bijvoorbeeld naar het ziekenhuis. Dit onderscheid heeft betrekking op het laatste deel van de inzet, vanaf het moment dat de ambulance bij de patiënt is gearriveerd. De vraag spoedeisend of planbaar is nu niet meer relevant.

    Declarabele inzetten zijn de inzetten waarbij een patiënt naar bijvoorbeeld het ziekenhuis is vervoerd. 72% van de ambulance-inzetten in 2016 was declarabel.

    Bij een Eerste Hulp Geen Vervoer (EHGV)-inzet is ter plaatse na onderzoek en/of behandeling van de patiënt gebleken dat vervoer niet noodzakelijk is. Er is wel altijd sprake van zorg. In 2016 was 21% van de ambulance-inzetten een EHGV-inzet.

    Bij een afgebroken of loze inzet wordt onderweg naar de patiënt toe al duidelijk dat ambulancezorg (toch) niet noodzakelijk is, of wordt er zelfs ter plekke geen patiënt aangetroffen. Er is geen sprake van vervoer en ook niet van zorg. Dit was in 2016 in 7% van de inzetten het geval.

  • Aantal ambulance-inzetten in 2016 (urgentie)
  • In 2016 hebben in Nederland 1.313.251 ambulance-inzetten plaatsgevonden:

    ● 632.875 A1-inzetten,

    ● 340.056 A2-inzetten en

    ● 340.320 B-inzetten.

    Sinds 2012 is het aantal ambulance-inzetten gegroeid met bijna 200.000 inzetten, dat is 18% (4,5% per jaar).

    Het aantal inzetten verschilt regionaal sterk. Dit heeft te maken met bijvoorbeeld de omvang en oppervlakte van een regio, het aantal inwoners, de bevolkingsdichtheid, de mate van stedelijkheid en de aanwezigheid en de aard van instelling voor gezondheidszorg in de betreffende regio.

  • A1-, A2- en B-inzetten in 2016
  • A1-inzetten zijn spoedeisende inzetten waarbij sprake is van een acute bedreiging van de vitale functies van de patient. Er waren in 2016 632.875 A1-inzetten. Dat is 48% van het totaal aantal inzetten.

    A2-inzetten zijn ook spoedeisende inzetten. Er is geen sprake van direct levensgevaar, maar er kan wel sprake zijn van (ernstige) gezondheidsschade. In 2016 waren er 340.056 A2-inzetten. Dat is 26% van het totaal aantal inzetten.

    B-inzetten betreffen planbare ambulancezorg, het gaat om patiënten die liggend vervoerd moeten worden en onderweg zorg nodig kunnen hebben. In 2016 zijn 340.320 B-inzetten uitgevoerd. Dat is 26% van het totaal aantal inzetten.

  • A1-inzetten per regio per 1.000 inwoners
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • In 2016 zijn in Nederland 632.875 inzetten met A1-urgentie uitgevoerd.

    Het aantal A1-inzetten is in 2016 ten opzichte van 2015 met 22.723 inzetten toegenomen.

    Sinds 2012 is het aantal A1-inzetten gemiddeld met 6,6% per jaar toegenomen.

  • A2-inzetten per 1.000 inwoners
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • In 2016 zijn in Nederland 340.056 inzetten met A2-urgentie uitgevoerd.

    Het aantal A2-inzetten is in 2016 ten opzichte van 2015 met 29.866 inzetten toegenomen.

    Sinds 2012 is het aantal A2-inzetten gemiddeld met 6,1% per jaar toegenomen.

  • B-inzetten per 1.000 inwoners
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • In 2016 zijn in Nederland 340.320 inzetten met B-urgentie uitgevoerd.

    Het aantal B-inzetten is in 2016 ten opzichte van 2015 met 7.368 inzetten toegenomen.

    Na een daling van het aantal B-inzetten sinds 2011, is er sinds 2012 weer een minimale stijging van het aantal B-inzetten.

Hoe snel is de ambulance ter plaatse?

  • A1-inzetten binnen 15 minuten bij de patiënt in 2016
  • In acute spoedeisende situaties moet men zo spoedig mogelijk ter plaats zorg kunnen verlenen. De ambulance moet daarom, onder normale omstandigheden, binnen maximaal vijftien minuten na het begin van de melding bij de patiënt arriveren.

    Van alle A1-inzetten die in 2016 zijn uitgevoerd, was de ambulance bij 93,4% inzetten binnen vijftien minuten na het begin van de melding bij de patiënt aanwezig. Dit duurde gemiddeld 9:26 minuten. Het percentage is gelijk aan dat in 2015 én in 2014.

  • A1-inzetten binnen 15 minuten bij de patiënt in 2016
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • Aan de responstijd van A1-inzetten zijn onder normale omstandigheden normen verbonden. De vijftienminutennorm, die geldt voor de responstijd van A1-inzetten, is in de eerste plaats een rekenkundige norm om te bepalen hoeveel ambulances op welke plaats noodzakelijk zijn om aan de wettelijke eisen van spreiding en beschikbaarheid te voldoen.

    Over het algemeen blijken overschrijdingen van de vijftien minuten zich hooguit tot een enkele minuut te beperken, al zijn er uiteraard altijd uitzonderingen.

    93,4% van de A1-inzetten was in 2016 binnen vijftien minuten aanwezig

    95% van de A1-inzetten was in 2016 binnen zestien minuten aanwezig

  • Responstijd A1-inzetten in 2016 (in min:sec)
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • De responstijd van een inzet heeft betrekking op het eerste deel van een inzet en is de tijd tussen het aannemen van de telefoon door de centralist van de meldkamer ambulancezorg tot en met de aankomst van de ambulance bij de patiënt. De ambulance-inzet is dan nog niet afgerond, maar duurt tot en met de overdracht van de patiënt aan een andere zorgverlener.

    De landelijk gemiddelde responstijd van A1-inzetten bedroeg in 2016 9:26 minuten. Dit ligt ruim onder de norm van 15 minuten.

    Naast een snelle responstijd zijn er meer factoren die kunnen bijdragen aan de gezondheidswinst van patiënten en het terugdringen van de mortaliteit.

  • A2-inzetten binnen 30 minuten bij de patiënt in 2016
  • In acute spoedeisende situaties moet men zo spoedig mogelijk ter plaatse zorg kunnen verlenen. In de praktijk wordt er naar gestreefd dat een A2-inzet onder normale omstandigheden zo spoedig mogelijk en binnen maximaal dertig minuten na het begin van de melding bij de patiënt arriveert. Dit is geen wettelijk vastgelegde norm.

    In 2016 was in gemiddeld 96,6% van de A2-inzetten de ambulance binnen dertig minuten bij de patiënt.

  • A2-inzetten binnen 30 minuten bij de patiënt in 2016
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • Mocht een ambulance met A2-urgentie langer dan dertig minuten onderweg zijn, beperkt deze extra tijd zich over het algemeen tot hooguit enkele minuten.

    96,6% van de A2-inzetten was in 2016 binnen 30 minuten aanwezig

  • Responstijd A2-inzetten in 2016 (in min:sec)
    1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11/13 12 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
  • De responstijd van een ambulance-inzet bestaat uit drie onderdelen: de meldingstijd, de uitruktijd en de aanrijtijd.

    De landelijk gemiddelde responstijd van A2-inzetten bedroeg in 2016 14:52 minuten.